465
15
hallo
388
480
hallo
70
453
hallo
342
432
hallo
129
360
hallo
380
297
hallo
40
270
hallo
426
240
hallo
530
160
hallo
60
180
hallo
390
75
hallo
200
115
hallo
100
50
hallo
1/8

Hij heeft het mooiste beroep van de wereld, vindt strandvonder Willem de Rover uit Camperduin. Wanneer in een storm een schip een deel van de lading verliest is hij een van de eersten die op de hoogte wordt gesteld. Niet dat hij dan gelijk in zijn gele Toyota pickup naar het strand snelt. Met zijn dertig jaar ervaring weet De Rover dat het altijd een paar dagen duurt voordat de verloren gegane lading aanspoelt aan de kust. Als het zover is, is het zaak om zo snel mogelijk de lading veilig te stellen, want De Rover is niet de enige die reikhalzend uitkijkt naar een mooie partij hout of schoenen. ‘Er liggen nog zeker een mannetje of tien achter de duinen die een graantje willen meepikken,’ vertelt de Camperduinse strandvonder. Hij kent ze, de jutters. Zo goed zelfs dat hij aan de voetafdrukken in het zand ziet wie hem voor is geweest. De ene dribbelt, jutter twee sleept met zijn voeten en weer een derde zet ze iets naar buiten, als een eend. Als hij te laat is of elders langs het strand aan het werk is, rennen de jutters het strand op, slepen hun prooi de duinen in en begraven hem in het zand. De Rover, lachend: ‘De grootste slimmerikken planten er ook nog wat helmgras op en wissen vervolgens de sporen met de handen mooi glad. Een week later halen ze de buit op, meestal met oostenwind, want ze weten dat ik dan niks op het strand te zoeken heb.’

De beste in zijn vak was de inmiddels overleden Peet Vegter, vervolgt De Rover. Vechter stief in het harnas, aan zijn fiets

hingen nog een paar planken toen hij werd gevonden op het strand. ‘Beroerd natuurlijk voor de familie, maar voor een echte jutter als Peet is het een prachtige dood.’

Het is de taak van de strandvonder om de aangespoelde spullen af te voeren naar een terrein van de gemeente. Op het stadhuis is inmiddels bekend van welk de schip de lading afkomstig is. Een enkele keer wil de eigenaar zijn spullen terug,  vaker is het een verzekeringskwestie. ‘Niet lang geleden spoelde er een mooie partijtje boomstammen aan,’ zegt De Rover. ‘De eigenaar en de verzekeraar vonden het te duur om de partij op te halen, zodat de gemeente, in dit geval Schoorl, het hout mocht houden. Die hebben het gebruikt voor beschoeiing en er zijn paar knappe houten banken van gemaakt.’

Zijn mooiste vondst? De Rover haalt zijn schouders op, hij vindt alles even mooi of het nu een simpele reddingsboei is of een partij tv’s. Het is niet alleen mooi, maar ook dankbaar werk, vindt hij. ‘Ik haal regelmatig bruinvissen of zeehondjes weg die ziek zijn of verzwakt doordat ze in een vissersnet hebben vastgezeten. Als ze nog leven brengen we de zeehonden naar Ecomare, de bruinvissen gaan naar Harderwijk. Het is zaak om de dode beesten snel weg te halen, want kinderen en moeders raken totaal overstuur als ze zo’n dood beest zien. Ze zijn tegenwoordig niks meer gewend.’

Zeven golven,  even rust. En weer - zeven golven, even rust. Het golventreintje rijdt met een keurige regelmaat zijn rondje langs de kust. Uit de dienstregeling valt af te leiden dat iedere golf van top tot dal zo’n twaalf seconden duurt en dat de trein rijdt van zuid naar noord, met de draaiing van de aarde mee. Hoe dichter de trein bij de kust komt, hoe ondieper de zeebodem. De onderkant van de golven, die op de diepzee bij een storm wel tien meter hoog kunnen zijn, raakt de bodem van de zee en struikelt zich een weg naar het strand of de dijk, waar zij bruisend en schuimend uitrollen.

Vroeger, toen er nog geen dienstregeling bestond, ging men uit van tien seconden. Het lijkt een futiel verschil, tien of twaalf seconden, maar de consequenties voor de stations die de trein aandoet mogen er zijn, legt Petra Goessen uit. Zij doet namens het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier onderzoek naar de veiligheid van onze duinen en dijken.

De golven zijn niet alleen langer in duur, maar ook krachtiger dan aanvankelijk werd gedacht, zegt Goessen: ‘Onze meetgegevens zijn de laatste jaren steeds nauwkeuriger geworden, mede dankzij de grote gele Wesp die voor ons gegevens verzamelt. We weten nu dat de golven hoger zijn geworden en dat de hoeveelheid energie in zo’n golf tijdens een storm groter is. Toen we in 2003 met deze nieuwe

gegevens de veiligheid van de dijken opnieuw berekenden, bleek dat  bepaalde plekken, waaronder de Hondsbossche – en Pettemer Zeewering, niet veilig genoeg waren, althans niet voldoen aan onze eis dat ze een storm die eens in de 10.000 jaar voorkomt kunnen doorstaan.’

Dat heeft niet alleen te maken met de toename van de hoogte en de kracht van de golven, maar ook – zij het in mindere mate - met de stijging van zeespiegel. De afgelopen eeuwen is die met ongeveer 20 cm gestegen, inmiddels wordt voor de dijken rekening gehouden met een stijging van 30 cm voor de komende 50 jaar.


Die toegenomen kracht van de golven veroorzaakt een grotere zandafslag bij de duinen, vervolgt Goessen. ‘De energie in de golf wordt omgezet in het afslaan van zand. De dijken zijn destijds zo ontworpen dat het deel van de dijk dat onderwater ligt de normale eb- en vloedbeweging moeten aankunnen. Het hoger gelegen deel van de dijk noemen we de golfklapzone, het is het deel dat de enorme energie van die beuk van de golf opvangt. Boven die zone ligt de golfoverloopzone. Die hebben we aan de Hondsbossche verlengd met een soort dambord van basilton, een mengsel van basaltgruis en beton. Dat was nodig om de veiligheid te

garanderen tot de tijd dat de definitieve oplossing met zandsuppletie voor de kust gerealiseerd is. Omdat we graag willen weten hoe golven zich gedragen onder bepaalde omstandigheden, zijn de pakketjes basilton op verschillende manieren neergelegd Bij de steilere Pettemer is in plaats van basilton gekozen voor het slaan van een stalen damwand in de dijk. In beide gevallen zijn de maatregelen getroffen om te voorkomen dat er teveel zeewater over de dijk spat. Dat tast de binnenkant van de dijk aan en kan uiteindelijk leiden tot een doorbraak.’

Ruud Luntz ziet eruit zoals je een boswachter voorstelt. Een blozend, rond gezicht, een baard en een alerte blik die niets ontgaat. We kijken vanaf de Hondsbossche Zeewering uit over de Harger- en Pettemerpolder, een eeuwenoude polder met een kavelpatroon dat nog dateert uit de Middeleeuwen. Veel Hollandser kan het niet– een molen, de duinen en weilanden zover het oog strekt. Zoals alles in Nederland is ook het natuurgebied ‘De Putten’, vlakbij Camperduin, door mensenhand ontstaan. Na het afgraven van een laag klei, nodig voor het verstevigen van de zeewering, bleef er een ondiepe plas achter in het weiland. De plas raakt al snel in trek als rust- en foerageergebied voor vogels als de grote stern, de kluut, de visdief, de dwerggans, voor lepelaars, aalscholvers, de zeldzame dwergganzen, de smient en onder meer kwikstaarten en tapuiten die in augustus hier even bijtanken op hun lange tocht vanuit het Noorden naar Afrika. ‘Het is een belangrijke rustplek voor trekvogels,’ weet Luntz, die werkzaam is bij Natuurmonumenten. ‘En als  het stormt vinden de vogels die met goed weer op de strekdammen te vinden zijn hier beschutting.’  Hij wijst op de kleurverschillen in de weilanden. Vanaf de dijk gezien links van de plas is het gras wat bleker en heeft meer natuurlijk reliëf. Het is er brak en ziltig. De zoute kwel die onder de zeewering doorsijpelt komt hier aan de oppervlakte. Het is het terrein voor bijzondere vegetatie als zulte en zeekraal, de al even bijzondere wilde selderij groeit er gewoon aan de slootkanten. In augustus verschieten de ziltige weilanden van kleur door de

roodachtige, paarse zeeaster. ‘Het water smaakt  zout,’ zegt Luntz. ‘Je vindt er dan ook garnalen en kreeftjes, waar de steenlopers, waarvan we hier 1 procent van totale wereldpopulatie hebben,  gek op zijn. Maar ook palingbrood, een soort mosdiertje.’

Richting Camperduin wordt het water zoeter. Het zoete water in de duinen drukt het zoute water naar beneden en voorkomt dat het de weilanden bereikt. Bij het zoete water horen andere planten en andere vogels, zoals eenden en ganzen.  ‘Die overgang van zoet naar zout maakt dit gebeid uniek in Nederland,’ aldus Luntz. Ook de dijk zelf is rijk aan planten en dieren. Begin juli waren de vlinders niet te tellen, over het algemeen een teken dat het met de natuur wel goed zit. Verderop, op de slaperdijken, groeien in het najaar bijzondere paddenstoelen, bij de boerderijen tref je de beschermde zwanenbloem.

Luntz is realist genoeg om te beseffen dat er iets met de zeewering moet gebeuren, ook voor de boswachter gaat veiligheid boven alles. De zandsuppletie voor de kust, waarvoor is gekozen, zal naar hij vermoedt en vooral hoopt, geen al te grote invloed hebben op het zilte natuurgebied. ‘Het is een beetje koffiedik kijken, maar het zal naar wij verwachten misschien heel

 

langzaam wat minder zout worden. Maar het belangrijkste is dat het open beeld van de polder gehandhaafd blijft, dat je hier zit en denkt – dit is Nederland.’

Het is nog aardedonker als bij visser Klaas Stins de wekker gaat. Hij staat op, schiet zijn kleren aan en rijdt even later met zijn blauwe bestelbus naar de net buiten Petten gelegen schuur waarin zijn boot is gestald.  Met een oude tractor sleept hij de brede, open vissersboot de dijk over, het water in. Het is vier uur in de ochtend, de zee ligt er kalm bij. Stins snuift de frisse ochtendlucht op, werpt een snelle blik op het water en kijkt hoe het getij loopt. Het belooft een mooie visdag te worden. ‘De meeste vis vang je achter een storm aan,’ zegt hij op gedempte toon. ‘Als de zee weer rustig is, maar de golven nog rollen. Het water is dan rijk aan zuurstof en de vissen zijn in beroering.‘
Op de strandhoofden staat een klein laagje water, een enkele vis schiet weg. Hij draait zijn eerste shaggie van de dag en start de  
buitenboord-motor, een 50 pk Yamaha. Een zeehond kijk verstoord op. Rustig schiet  hij zo’n twaalf netten rond de kop van de basalten strandhoofden. Het is dood tij, de netten staan loodrecht in het water. Met een peddel geeft Stins een paar rake klappen op het water, in de hoop dat de opgeschrikte vis de netten inschiet. Het zijn geen gewone netten, zoals Stins geen gewone visser is. Hij is, had hij eerder uitgelegd, lid van de ‘geintegreerde visserij’, een groep kustvissers met oog en hart voor de natuur. Stins en zijn collega’s vissen met zogenaamde kieuwnetten, netten met grotere gaten waarachter de vis met zijn kieuwen blijft steken. En niet te lang om de bijvangst zoveel mogelijk te reduceren. ‘Zo doen we de natuur nauwelijks schade. Grote visser

zeggen weleens- je moet de bodem van de zee omwoelen, net zoals een boer zijn akker ploegt. Mooi verhaal, maar er klopt niks van. Door die grootschalige, natuuronvriendelijke visserij, dreigt de zee op te raken.'
Na een uurtje trekt hij met een lier de netten naar binnen, de dag licht op. Tevreden aanschouwt hij de vangst, flink wat zeebaarzen en verder wat harders en makrelen. Vroeger, in de tijd dat hij samen met zijn vader viste, waren de keren dat hij een zeebaars in de netten had op één hand te tellen. ‘We vingen toen veel harders en verder onder meer schol en griet. Maar schol zie je nauwelijks meer onder de kust, die zit tegenwoordig dieper op zee, terwijl het bestand aan zeebaars de laatste jaren  
goed is.’ Waarom? Stins haalt zijn schouders op. Zo gaat dat in de natuur, die is onvoorspelbaar en altijd in beweging. Vertel hem wat, hij kijkt al tientallen jaren zijn ogen uit. Geloof nooit iemand die zegt de zee door en door te kennen, hij bluft, de zee laat zich niet kennen. Net als de godin Hera, lacht hij, ze was de mooiste op aarde, maar even onvoorspelbaar en onberekenbaar als de zee. Wat hij wel weet is dat alles met alles te maken heeft in de natuur. Dus als er straks zand voor de zeewering wordt gestort ter verdediging van de kust, zal dat van invloed zijn op de visstand. ‘Het zal een aantal jaren minder worden, dus zal ik moeten uitwijken naar de Waddenzee.

Het Mirakel van Bergen

In de nacht van 18 op 19 november in het jaar 1421 raasde een zware noordwesterstorm langs de Nederlandse kust. In paniek vluchtten de inwoners van het dorpje Petten de kerk binnen, in de hoop daar redding te vinden. Tevergeefs. Na het doorbreken van zanddijk werd de kerk werd verzwolgen door de ziedende zee. De ramp kostte het leven aan 400 Pettenaren.
De dag na de ramp nam de schout van Bergen, Joannes de 
Prucen, de schade op in zijn dorp. Tussen de wrakstukken en de kadavers lag tegen een slootkant een houten kistje, dat bij nadere inspectie enkele kerkschatten van de kerk in Petten bevatte, waaronder de ciborie, een kelk waarin de heilige hosties werden bewaard. De pastoor van Petten, die als een van de weinigen bij toeval de ramp had overleefd, reisde af naar Bergen om de kerkschat in ontvangst te nemen. De heilige hosties werden uit dankbaarheid ter plekke genuttigd, het zeewater uit de kelk goot hij uit in een schotel die werd opgeborgen in de oude dorpskerk van Bergen, nu onder de naam Ruïnekerk in gebruik door de protestantse gemeente van Bergen. Toen de pastoor van Bergen een half jaar later, op een Pinksterdag in 1422, de schotel uit de kast haalde, bleek het zeewater verdwenen, in plaats daarvan lag er een dun laagje 

rode stof op de bodem. De pastoor vermoedde een wonder, dit kon niet anders dan het geronnen bloed van Christus zijn. Het verhaal ging als een lopend vuurtje rond en van heinde en ver stroomden de  pelgrims toe om te bidden tot wat al snel  ‘het Mirakel van Bergen’ ging heten. En ze bleven komen, want wonder na wonder vond plaats na een belofte een pelgrimage naar Bergen te volbrengen. Zelfs gravin Jacoba van Beieren reisde naar Bergen af, paus Eugenius de vierde verleende een aflaat aan de parochiekerk.
Op de plaats waar de ciborie was gevonden werd de kapel van het Heilige Bloed gesticht. In de Tachtigjarige Oorlog werden zowel de kapel als de dorpskerk vernield.

Pas na 1924 werd er een nieuwe RK-kerk gebouwd, waarin rechts van het priesterkoor een fresco van Jaap Min is te bewonderen met enkele scenes uit de legende van het Heilige Bloed.

Na de wijding van de kerk werden ook de jaarlijkse processies in ere hersteld. Op de zondag voor Pinksteren wordt tot op de dag om 5.00 uur door de parochianen een stille omgang gehouden.

Het is nauwelijks voor te stellen door hoeveel rampspoed het dorpje Petten, zo onschuldig en vredig ogend op deze vroege, schuchtere zomerdag, is getroffen. Nog moeilijker voor te stellen is dat ditzelfde dorpje ooit enkele kilometers westwaarts lag, in wat nu de volle zee is.
Een kleine zeshonderd jaar geleden werd het eerste dorp Petten door de zee weggevaagd. Vierhonderd inwoners, voornamelijk arme vissers, vonden de dood in die verschrikkelijke novembermacht van 1421. Met man en macht werd vanaf die tijd gewerkt aan versterking van de duinenrij. 
Zand werd gestort, er werden strandhoofden aangelegd en metershoge paalschermen werden opgetrokken op het strand om de golven vroegtijdig te breken. Maar de zee trok zich er niets van aan.  De zanddijken en de duinen, moegebeukt door de golven en de stroming, werden langzaam opgevreten. Meter na meter rukte de zee op. De Pettenaren, die lang zelf opdraaiden voor het onderhoud van de dijk, ontbrak het aan de middelen en de mankracht om de zee af te stoppen. Ternauwernood wist het dorp aan nieuwe rampen als die van 1421 te ontkomen.
Toch moest huis na huis wijken voor het zand en de zee. Rond 1700 zag de kerk zich ineens terug middenin de duinen, het zand kwam tot de ramen, het dak dreigde te bezwijken onder de zware zandlast. Er zat niets anders op dan de kerk steen voor steen af te breken. Met de 35.000 bakstenen van de oude kerk werd een nieuwe gebedshuis gebouwd, honderden meters verder landinwaarts. Rond de kerk ontstond een nieuw

dorp, dat echter in 1943 op last van de Duitsers compleet werd afgebroken wegens de aanleg van de Atlantikwall. Ook de kerk moest er aan geloven. Drie jaar later werd Petten, dat sinds 1929 onder de gemeente Zijpe valt, op dezelfde plek herbouwd naar een plan van de architecten Van de Ban en De Vassy.
Het dorp Petten, in de 18de eeuw nog gescheiden van de zee door honderden meters duin en strand, ligt inmiddels weer vlak achter de zeewering, want de honger van zee bleek onstilbaar. Tot in 1860 dijkgraaf Van Foreest met zijn geniale plan voor een basaltdijk kwam. Aanvankelijk werd alleen de Hondsbossche zeewering voorzien van dit uit Duitsland afkomstige materiaal, de 400 meter lange Pettemer zeewering, die in die dagen werd beheerd door het Rijk, werd aanvankelijk versterkt door klei en houtwerk. Nog geen twintig jaar later zag het Rijk zijn vergissing in, ook de Pettemer werd een basaltdijk. Maar net iets anders, want een vergissing toegeven is één, ruiterlijk erkennen dat het plan van de buurman met kop en schouders boven je eigen plannen uitsteekt is een ander verhaal. Dus verordonneerde het Rijk een dijk die hoger was en met een steiler talud. Anders is niet altijd beter. Krijgen de golven op de Hondsbossche de kans om mooi uit te lopen op het glooiiende talud, op de steile Pettemer zit er niks anders op dan er met volle kracht tegenaan te

beuken. Met als gevolg dat bij zwaar weer het water over de dijk spat, de reden waarom de inwoners van alweer het vierde dorp Petten tegenwoordig aankijken tegen een stalen damwand in hun dijk.